door Ida van Duijnhoven-de Wit en Dorry Roothans-Reijbroek
Ida de Wit werd op 20 juni 1945 geboren op de boerderij van Jan en Martina de Wit-van Rijsingen op Soffelt (buurtschap Zondveld bij Zijtaart, Veghel). Zij was het derde kind in het gezin van zes kinderen. Ida (of Ietje zoals ze genoemd werd) volgde de lagere school in Zijtaart en de huishoudschool in Veghel. Ze vond werk in het ziekenhuis in Veghel. Met vriendinnen ging ze dansen in Mariaheide en daar ontmoette ze Gijs van Duijnhoven die met zijn brommertje uit Venhorst kwam. Ze trouwden op 7 april 1967 in de kerk van Zijtaart en gingen in Venhorst wonen. Ze kregen twee dochters en hebben inmiddels twee kleinkinderen. Ida zong altijd graag en de dirigente van het koor in Venhorst liet haar dirigeren als ze er zelf niet kon zijn. Het dirigeren beviel Ida zo goed dat ze de driejarige dirigentenopleiding ging doen bij de Gregoriusvereniging. Ze dirigeert nu nog het kerkkoor in Venhorst en is lid van het seniorenkoor in Boekel. Ida denkt nog vaak aan haar prilste jeugd terug. Van haar eerste zeven levensjaren bracht ze er ruim vijf en een half door in een ziekenhuis of sanatorium vanwege tbc.
In 1999, toen ze 54 jaar was, heeft ze haar levensverhaal op laten tekenen door een neef. Door haar herinneringen op te schrijven hoopte ze er beter mee om te kunnen gaan. Ook wilde ze de herinneringen nalaten aan haar kinderen. De redactie van ‘De Wanmeule’ heeft Ida gevraagd haar verhaal van 1999 te mogen plaatsen. Hieronder volgt het (enigszins ingekorte en aangepaste) relaas.

Bloedplekje
“Het is begonnen met een bloedplekje op mijn wang. Dat begon te bloeden en hield niet meer op. Ik was toen schijnbaar veertien maanden oud”, graaft ze in haar geheugen. Ida moest naar de dokter en vervolgens naar het ziekenhuis in Veghel, waar men echter niets kon vinden. “Ik werd toen wel opgenomen in Veghel, want ze hadden een vermoeden dat het tbc (tuberculose, destijds een levensgevaarlijke en zeer besmettelijke ziekte) kon zijn.” Ida kan zich van die tijd natuurlijk niet veel meer herinneren maar ze denkt wel dat ze daar enigszins scheel is gaan kijken. “Mijn bedje stond volgens mij namelijk zo opgesteld dat ik alleen over mijn schouders naar de zusters kon kijken. Later is dat gelukkig wel weer bijgetrokken.” Nadat men na twee jaar (!) definitief had vastgesteld dat het hier duidelijk om een geval van tbc ging werd Ida overgeplaatst naar Sanatorium Huize Caesarea, een kuuroord in Ugchelen (Gelderland) waar de ziekte verder moest genezen. De naam ‘Caesarea’ was afgeleid van de naam van de schenkers van het pand waarin het sanatorium gehuisvest was: de heer en mevrouw Caesar. Caesarea was een dependance van het grote sanatorium in Groesbeek, Dekkerswald.
Eén keer per week bezoek
Ida probeert zich die tijd nog voor de geest te halen. “Ik weet dat er heel veel nonnen rondliepen en dat onze pap me elke zondag kwam opzoeken. Later besefte ik pas wat voor een opgave dat voor hem geweest moet zijn. Van mijn zusjes hoorde ik later dat hij absoluut niet aan de zondag wou tornen: op die dag ging hij zijn dochter Ida opzoeken. In die tijd lag Ugchelen nog aan de andere kant van de wereld; onze pap maakte elke zondag voor mij een wereldreis. Onze pap was dan ook de enigste persoon van mijn familie die ik kende.” Onlangs wist Ida een zuster op te sporen, zuster Theodoria, die haar in het sanatorium verpleegde. Met haar samen lukte het om nog meer dingetjes voor de geest te halen. “We lagen met ongeveer twaalf kinderen op een zaal. De ramen stonden altijd wijd open, ook in de winter. Als de zusters in de winter met ons tekenden of een verhaaltje aan het voorlezen waren, deden ze de ramen weleens bijna dicht. Zij konden de kou soms namelijk bijna niet lijden. Als dan toevallig dokter Litho met haar hondje kwam langs gelopen, was het hiermee snel afgelopen. Met luide stem beval ze dan dat die ramen weer wagenwijd open moesten.” Huize Caesarea werkte met een vaste dagindeling. “’s Morgens gingen we met zijn allen naar de wasgelegenheden waarna onze bedjes opgemaakt konden worden. Hierna kregen we ontbijt op bed en om een uur of tien dronken we gewone melk of karnemelk. De rest van de dag moesten we echter plat blijven liggen. De zusters kwamen dan verhaaltjes vertellen, of ze tekenden wat voor ons.” “Eens per maand kwam de directeur langs. Alles moest er dan picobello uitzien: de spreitjes moesten keurig op de strak opgemaakte bedjes liggen. Als hij weer weg was gingen de spreitjes weer in de kast, want men was bang dat er melk of zo op gemorst werd.”
Na een paar jaar werd dependance Huize Caesarea opgeheven en verhuisde Ida naar het hoofdgebouw in Groesbeek, Dekkerswald. Ida hoorde later dat dat nog aan een zijden draadje had gehangen. “Toen ik in Dekkerswald lag heeft de Boerenbond uit Zijtaart nog bijgesprongen om mijn verblijf daar financieel mogelijk te maken. Onze pap was daar namelijk niet voor verzekerd.” Voor Ida waren het ziekenhuis in Veghel, Huize Caesarea en Dekkerswald zo’n vijf en een half jaar lang haar thuis.

staat gestempeld: “Foto: Joh. van Eerd Veghel 19 oct. 1948”. Bron: [1]
Naar huis
Op 29 maart 1952 mocht de bijna 7-jarige Ida naar ‘huis’. “Met een grote taxi van Marinus van de Heijden kwamen ze me ophalen. Het was verschrikkelijk slecht weer. Door de enorme sneeuwval zag je letterlijk geen hand voor ogen. Ik wist echt niet waar ik naar toe ging. Voor het eerst zou ik mijn familie zien.” Toen Ida, met een koffertje kleren in haar hand, eindelijk ‘thuis’ op Soffelt arriveerde bij de oude boerderij van haar ouders, was alles vreemd. “Ik zag voor het eerst in mijn leven een koe van dichtbij. Van een afstandje had ik ze wel eens zien staan, maar naarmate je dichterbij kwam, leken ze alsmaar groter.” Ze zag ook haar moeder die ze helemaal niet meer kende. “Ons mam had van die recht geknipte haren. Ze zag er ouwelijk uit voor haar leeftijd. Ik wist echt niet wat me overkwam; ik was altijd veel lichte kleuren gewend geweest bij de nonnen maar nu was alles heel donker. Ons mam was helemaal in het zwart.” In haar koffertje had Ida voor haar zusjes en broer Jan een cadeautje meegenomen. “Ik gaf al mijn zusjes een pop, maar de mooiste hield ik voor mezelf. Het was toen ook voor het eerst dat ik in gewone kleren liep; in het sanatorium liep ik altijd in een nachtjapon.” Ida had zich een hele andere voorstelling van haar familie gemaakt. “Ik had een slabbetje lopen breien voor mijn
‘kleine broertje’. Die was echter inmiddels al een jaar of tien.” Door de opvoeding bij de nonnen had Ida er ook geen idee van dat er wel degelijk verschil bestond tussen ‘broers’ en ‘zussen’. “Opa en oma woonden toen ook nog in. Oma riep tegen mij: ‘Komma Tjin’. Ze leek voor mij echter op de heks uit Hans en Grietje waardoor ik verschrikt wegdook en bij mezelf dacht: ‘Mij zul je niet hebben’. Toen ik voor het eerst naar de wc moest, beleefde ik ook een enorme schok: er was geen po maar een plank met daar een gat onder.” Ida was aanvankelijk natuurlijk een buitenbeentje. “De eerste twee weken waren ze allemaal heel zuinig op me. Ik mocht in het begin in d’n ‘hert’ (woonkamer) slapen. Daarna verhuisde ik naar de ‘geut’ (keuken) en weer wat later ging ik naar de opkamer (de kamer die boven de
kelder ligt). Wat ik me vooral kan herinneren, is dat werkelijk alles nieuw en vreemd voor me was.”
Naar school
Na een paar maanden rondhangen op de boerderij moest Ida naar de lagere school in Zijtaart. “Ik had de kleuterschool niet gehad en moest meteen naar de eerste klas. Ons Mia die een jaar jonger was zat bij mij in de klas. Ons Mia presenteerde mij op school als haar ‘nieuwe zus’.”
De kinderen stonden in een boog rondom de nieuwste attractie van Soffelt. Na verloop van tijd werd Ida door haar afwijkende gedrag uitgelachen. “Vroeger was dat toch zo erg. Iedereen werd wel ergens om voor de gek gehouden.” Ida kon niet fietsen en moest daarom bij oudste zus Tiny achterop. “Ons Tien vond dat natuurlijk helemaal niets en beval me vooral niet te gaan brullen. Ik moest van ons Tien ook altijd eerder aanlopen naar huis. Dan hoefde zij mij niet zo lang mee te nemen achterop. Op een dag zag Frans Verbakel mij lopen, en vroeg of dat ik mee wou rijden. Ik mocht echter niet met vreemde mensen meegaan. ‘Ja, maar ik ben unne goeie mens’, probeerde hij nog. Ik ging echter niet mee.” “Ik liep heel erg stijf want ik had jaren op bed gelegen. Ook was ik behoorlijk bleu. Ik moest in de voorste bank zitten want ik had slechte ogen. Omdat ik door mijn lengte echter normaal achterin zou moeten zitten, werd mijn bankje helemaal aan de zijkant apart tegen de muur gezet.” Gelukkig bleek dat Ida op zich wel aardige aanleg had om te leren, alleen gymnastiek was niet voor haar weggelegd. “Daarom ging ik op heilgymnastiek, een soort therapie om je houding te verbeteren. Ons pap moest daarvoor een nieuw badpak voor me kopen, anders werd je niet toegelaten.”
Ida stond in het begin na haar thuiskomst nog onder strenge medische controle. “Aanvankelijk moest ik om de drie maanden op controle. Het hele gezin moest dan mee, later hoefde ik nog maar alleen. Het heeft uiteindelijk echter nog jaren geduurd voordat het licht definitief op groen kon. Zelfs als ik tegenwoordig voor iets anders in het ziekenhuis moet zijn, moet ik vermelden dat ik vroeger tbc heb gehad.”
Ida kwam een keer met een gebroken been in het ziekenhuis te liggen. “Ik zat dus altijd bij ons Tien achter op de fiets. Op een keer stond ze met een jongen te lullen en viel ik van de fiets af. Het deed verschrikkelijke pijn maar ik mocht dus onder geen enkele voorwaarde van ons Tien janken. Ook mocht ik niets zeggen tegen onze pap. De volgende morgen verging ik echter nog steeds van de pijn en kon ik echt niet op mijn been staan. Onze pap is toen toch maar met me naar de dokter gegaan en toen bleek al snel dat ik mijn been had gebroken.”
Bekrompen
Ida verbaast zich nog steeds hoe bekrompen het leven was op het Soffelt van begin vijftiger jaren. “Met ons mam kon je werkelijk nergens over praten. Zo gauw een niet zo algemeen onderwerp aan de orde kwam klapte ze volledig dicht. Wij wisten dan ook niks, en ik al helemaal niet, van alle dingen die in de wereld te koop waren en die hoorden bij het opgroeien als jong meisje. Ik weet nog wel dat ons Sjan werd geboren. Ons Tien moest naar tante Net, en wist dan al weer genoeg: ‘Is ’t weer zo wijt?’, zei ze. Ik hoorde een hoop geschreeuw en wist niet wat er aan de hand was. Even later kwamen ze met een kinderwagen binnenrijden en lag ons Sjan op twee van die kleine stoeltjes.” Samen met de andere kinderen moest Ida na verloop van tijd ook het veld in. Alleen als vader Jan in bed lag, hoefden ze dat niet. “Wij moesten dan de ‘romkannen’ schoon maken en ons mam ging dan de krant lezen. Wij deden dan zo langzaam mogelijk, en ook heel rustig. Als onze pap wakker werd moesten we namelijk weer naar het veld.” “Onze Jan was als enige zoon verschrikkelijk verwend. Bij het ‘rogbinden’ mocht hij altijd op het ‘masjien’ zitten. Toen hij vijftien was, zat ons mam nog zijn boterhammen te smeren en zijn haren te kammen.”

Ik jankte van de heimwee
Na verloop van tijd begon Ida zich toch beter aan te passen aan het leven op Soffelt. Toen ze 11 jaar was moest ze in de zomervakantie zes weken naar een zogenaamd ‘vakantiekoloniehuis’. Men vond dat toch verstandig vanwege haar nog steeds niet volledig normale gezondheid. “Tegenwoordig gaan ze voor de gezondheid naar de boer toe. Destijds werd je ervan af gehaald. Ida ging naar Huize Overbunde in Bunde, Zuid-Limburg, en vond het er verschrikkelijk. “Zes weken lang kreeg ik geen bezoek. Ik mocht wel brieven naar huis schrijven, die vervolgens werden gecensureerd. Als je in zo’n brief ergens om vroeg werd dat er meteen uitgegumd.” Alleen toen men een uitstapje maakte naar de Apenberg, mocht Ida haar ouders om een bijdrage van drie gulden vragen. “Ik heb in mijn hele leven nooit meer zo’n heimwee gehad als toen. Voor het eerst in mijn leven ging ik daar onder de douche. Ik stond achter een gordijn en moest me uitkleden. Ik bibberde van de kou en toen kwam er plotseling een hand door het gordijn; ik dacht dat mijn einde was gekomen. Die hand moest mij echter wassen. Op zich was het er heel goed in Bunde. Het probleem was alleen dat ik niets bij me had en de andere kinderen wel. Die hadden daar namelijk al vaker gezeten en wisten waar ze aan toe waren.” Op een gegeven moment wilde Ida alleen nog maar naar huis. “Op een bepaalde avond heb ik alleen maar gejankt. Het enigste wat toen nog hielp was naar huis gaan.” Ida herinnert zich dat ze wegging met Soffelt-kermis en met Zijtaart-kermis weer thuis kwam. “Toen onze pap dat later hoorde, besefte hij ook wel dat hij me daar beter niet naar toe had kunnen sturen. Hij zei dat het de eerste en laatste keer was geweest.” “Het enigste voordeel wat ik door al die ervaringen op jonge leeftijd had ten opzichte van mijn zusjes en broertje was dat ik al veel vaker op de ‘harde weg’ was geweest. Bovendien hoefde ik nooit de koeien te melken omdat men dacht dat tbc ook op de koeien kon slaan. Ik werd al met al toch wel een beetje gespaard.”
Altijd thuis
Ida ging de pubertijd in en was vooral vaak thuis te vinden. “Tot mijn 14e was ik altijd thuis. Ons mam zei dan vaak: ‘Vat oe fiets eens en rij ook eens een keer rond’. Toen ik voor de eerste keer menstrueerde, dacht ik dat ik dood ging, daar hadden ze nooit iets over verteld. Ons Mia zag me staan. ‘Ietje, gij wit toch zeker wel wat dat is?’, zei ze. Ik wist echter van niets. Ongelooflijk.”
“Het heeft een paar jaar, tot in mijn pubertijd, geduurd dat het niet meer te merken was dat ik zo’n afwijkende kinderjaren had gehad. Op de huishoudschool was er eigenlijk helemaal niets meer aan mij te zien.” Ida kan er nog steeds niet goed bij dat er eigenlijk nooit gepraat werd over haar ziekte op zo’n jonge leeftijd. Ook niet toen ze zelf ouder en volwassener werd. “Alleen als onze pap te veel had gedronken en ik eens ergens over klaagde, zei hij weleens: ‘Durske, gij hoeft niks te zeggen want wij hebben vruuger al zo hard voor jou gelopen’.”
“Nu ben ik zelf in de vijftig en heb inmiddels twee volwassen kinderen. Waarschijnlijk omdat mijn ouders inmiddels allebei gestorven zijn, ben ik de laatste tijd steeds vaker met mijn jeugdjaren bezig. Dolgraag zou ik aan onze pap en ons mam willen vragen hoe zij dat toen allemaal beleefd hebben. Ik heb er nu heel veel spijt van dat ik er nooit naar gevraagd heb.”
- Bron:
1. Ida van Duijnhoven-de Wit (1999); De jeugdherinneringen van Ida de Wit; 12 pagina’s A4. En enkele gesprekken met Ida. - interessante achtergrondinformatie
https://caesarea.eu/inhetspoorvantuberculose.php
met info en een filmpje over het sanatorium Caesarea.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Dekkerswald
met info over Dekkerswald.